Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhaal. Alle posts tonen

2.2.15

He answers with an evasive glance

- Please talk to me. I took the first step already anyway. Shame’s upon me. Please say something, I can’t stand this silence.
- So you think this is about pride or honor or something?
[She freezes.]
- It’s not… You don’t understand this at all, do you? Nothing was right from the start. We could’ve seen this coming; we should have been alarmed long ago. What are you staring at? I’m talking now, that’s exactly what you wanted, right? Are you scared? Don't tell me you're scared.
- No.
[It was only a whisper.]
- Well don’t freak out on me then, kid. Everything’s not lost; maybe I can still fix this.
- You can? Won’t you need me?
[He answers her question with an evasive glance and remains silent. She knows enough.]

1.2.15

It's harder to stand up straight

- The emptiness, it's so dense. The light within is so dark. I keep mixing them up in my head. It feels like nothing I've ever experienced before. Yet I know it all, I even think I can foretell.
[A deep sigh escapes.]
- You should give yourself a break, rest. You don't have to worry now.
[He drops to his knees but keeps looking to the floor for a few more seconds.]
- It’s all about one thing, you know. Always about that one, same thing. But it’s everything.
[He stops talking and looks tormented. It takes a while until he starts speaking again, although his eyes are still looking the other way.]
- I’m sorry, I’m rattling. It’s been hard to think clearly in this vortex of events.
- Don’t worry man, I told you. You’re not alone in this, remember?
- I have never felt loneliness pressing so heavily on my chest, pal. I know you‘re there, but it also got you under its full weight. I’m sorry.
[ The man looks up, searches for eye contact.]
- I don’t believe you. It was you who dove right into this shit, pulling me with you. This is not the time or place to opt out, man. Hey, look at me.
[As he looks at him, the man can’t get another word out of his mouth. He grins. They just stare for few moments.]
- It’s harder to stand up straight than to lie down, isn’t it.
- It sure is.

14.2.14

Storing II

Storingstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoring

Wanneer ik rust, dendert het allemaal door elkaar heen. Zonder bezigheid lijkt het net een druk station, waar ontelbare treinen inrijden, weer uitrijden, maar vooral inrijden. Daarin zitten ontelbare mensen, die instappen en weer uitstappen. Veel bekende treinen, die hetzelfde traject telkens heen en weer afleggen. Af en toe een nieuwe, die verder rijdt en niet teruggaat. Of juist het eindstation heeft bereikt.

Wisselstoringen en vertragingen zijn een bekend probleem, niet alleen hier. Constant loopt het mis, loopt het uit op niets, een doodlopend spoor. Treinen botsen nou eenmaal, als het er te veel worden. Ze rijden elkaar in de weg, maar zijn te koppig om te wijken of te wachten. Ze zijn zo eigenwijs en daar word ik zo moe van...

Wie de juiste trein op tijd wil pakken moet alert zijn, scherp. Ze rijden niet op tijd, beginnen soms zomaar te rijden of komen juist niet van hun plek. Ze kunnen ook maar zo van spoor wisselen. Pas als zich een bezigheid voordoet, waar afleiding in te vinden is, wordt het station even stil gelegd. De mensen wachten dan – geduldig of niet – op een bankje of met een kopje koffie, tot alles weer rijden gaat. En dan begint het denderen weer.

Dezelfde trajecten, heen en weer. Heen en weer.


Storingstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoring

Dezelfde trajecten, heen en weer heen en weer heen en weer heen en weer heen en weer. De wissels piepen, lopen soms ook vast. De treinen deinen op en neer en van links naar rechts wanneer ze er overheen rijden, waardoor iedereen in de trein een beetje heen en weer schuift over de nepleren bekleding van de zittingen en er een beetje zeeziek van wordt.
Dan staan er een paar mensen alvast op, alsof ze bang zijn dat ze de deur niet op tijd kunnen vinden of misschien hebben ze enorme haast en moeten ze per sé de trein als eerste verlaten. Je kan eigenlijk het best blijven zitten tot de trein helemaal stilstaat, want dat stilstaan en het abrupte remmen veroorzaakt meestal toch wel zo’n schok dat je alle mensen even ziet zoeken naar hun zojuist verloren evenwicht. Zelfs de mensen die zitten want de bekleding van de zittingen is vaak een beetje glad, waardoor je makkelijk een stukje naar elkaar toeschuift wanneer de trein een schokkende beweging maakt.

En dit terwijl er in de trein belangrijke maar ongeschreven regels bestaan over elkaars personal space. Bijvoorbeeld: je stapt een lege of bijna lege coupé binnen, je zal dan nooit plaatsnemen naast iemand die je niet kent zolang je ergens kan gaan zitten waar je met niemand te maken hebt. Als je wel plaats moet nemen naast ieman dan doe je dat het liefst in een vierzitsplek waar nog drie plekken vrij zijn. Maar je zal dan nooit naast of recht tegenover de andere passagier gaan zitten maar altijd zo ver weg als maar kan: er schuin tegenover. Een groet wordt dan meestal niet eens gebracht, en wanneer er in de spits de opmekaar gepakt als sardientjes in een blik-situatie zich voordoet moet ieder oogcontact vermeden worden. Dit is uiterst belangrijk!
De mensen wiegen dan heen en weer en regelmatig verliest iemand serieus zijn of haar evenwicht, terwijl ze geplet staat tussen de andere mensen, en ze probeert dan zo snel mogelijk op te staan, niemand zal haar helpen en ze houdt haar blik strak omlaag of naar het schermpje van haar telefoon of e-reader. Zo genant, terwijl het echt wel iedereen overkomen is, en waarschijnlijk hebben de meeste mensen een beetje medelijden met haar ook al laten ze dat absoluut niet zien.

Storingstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoring

Treinen kunnen zichzelf ook omkeren, achterstevoren laten rijden, zich aan elkaar hechten of delen van zichtzelf loskoppelen. Uiteindelijk gaat het maar om één deel: het voorste of het achterste, de rest is aanhang, letterlijk en figuurlijk.

Het zijn prachtige metaforen want ze zullen altijd doorrijden en eigenlijk nooit op iemand wachten. Het is aan jou of je meegaat of dat je hem mist...
Het leven kan stilstaan en de treinen blijven rijden, en je zal er nooit een te pakken krijgen. Het perron van grijze stenen of grijs beton is dan de stilstaande wereld, helaas zul je het station nooit kunnen verlaten en de groene bomen opzoeken. Nee je zal altijd blijven plakken aan de grijze stenen.

Oh het drama, oh de ironie van de treinen die voorbij razen (en ja, ze zullen altijd razen, nooit gewoon voorbij rijden maar razen en razen) en die een beetje wind veroorzaken die met je haar of je jas speelt en dat je dan toch een beetje van de beweging mee lijkt te krijgen, maar dat is slechts een schijnbeweging.
Maar wat is nou erger, vastgeplakt zitten op dat perron – in alle rust eigenlijk – of in een trein in slaap vallen en hetzelfde traject op en neer reizen zonder dat je het door hebt, zonder dat je kunt overstappen, dat uitstappen misschien je enige alternatief is maar dan kom je ook nergens.
Nu ga je tenminste nog heen en weer tussen het ene doodlopende einde en het andere. Tsja...

Storingstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoring

Met haar hoofd tegen het raam gelegd, ogen dicht, haar mond zakt telkens een beetje open en haar haar laat zo’n vettige vlek achter op het raam die je eigenlijk op ieder raam in iedere trein ziet.
Ja werkelijk! In elke trein tegen elk raam valt er wel iemand in slaap en altijd zie je zo’n vieze plek zitten die je er aan herinnert dat er altijd vreemden en andere ongewenste personen met je mee reizen in de trein, ook al is het de laatste trein voor het laatste eindstation van die dag en je bent helemaal alleen. Je bent nooit alleen in de trein, de sporen van de medepassagiers zijn er altijd en ze zijn onsmakelijk.
Zoals een leeg bakje friet met de mayo er nog in bij je voeten, of een klokhuis dat half uit het prullenbakje steekt, of een leeg koffiebekertje op het tafeltje naast het raam en natuurlijk de handtekeningen met zwarte viltstift overal, op de rug van de stoel voor je of op de wand naast het raam of in het raam gekerfd met waarschijnlijk een sleutel of iets dergelijks.

Storingstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoring

Aan het einde van een dag als een trein klaar is met de trajecten dan wordt de trein vaak weggezet voor de nacht. Soms wel kilometers ver weg van het laatste staion waar de trein was en je mag hopen dat je tegen die tijd er aan hebt gedacht om uit te stappen, anders loop je het risico om de hele nacht gevangen te zitten in zo’n coupé. Helemaal donker en zeker weten veel enger dan een leeg perron, waarvan je altijd nog in ieder geval de illusie hebt dat je er van weg kunt lopen, het station uit.
Maar wat in ieder geval ook een plek is waarvan je zeker weet dat je er mag zijn en dat het nergens heen gaat. Van zo’n lege trein weet je het niet, misschien hoeft die wel dagen niet meer gebruikt te worden omdat het morgen zondag is en dan geldt er een andere dienstregeling. Of misschien moet hij helemaal schoongemaakt worden, moet alle graffiti van de buitenkant geschrobt worden, of misschien was het wel de allerlaatste dag van de trein ooit en wordt hij gesloopt, en o wee als ze je dan nog vinden! Dan denken ze vast dat je een vandaal of een dief bent of een zwerver die in de trein is gaan wonen.

Storingstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoring

Stel je voor dat je conducteur bent, dat lijkt me zo raar! Je werkplek is overal en nergens, misschien reis je op een dag wel van Leeuwarden tot de Hoek van Holland, Roosendaal naar Maastricht naar DenHelder.
Wanneer heb je dan pauze, ergens tussen Geldermalsen en Houten Castellum. Als dat überhaupt een bestaand spoor is.

En voor iedere conducteur moet tijdens de planning van het werkrooster rekening worden gehouden dat ze op een redelijk traject beginnen waar ze toch wel redelijk bij in de buurt wonen, en dat ze aan het einde van hun dienst ook weer redelijk in de buurt van waar ze wonen worden afgezet lijkt me. Je gaat toch niet iemand uit Breda een laatste traject naar Groningen laten doen en dan zeggen dat zijn of haar dienst er op zit! Al helemaal niet als het het laatste traject van de dag is en de trein op een zijspoor wordt gezet voor de nacht, en de conducteur niet meer naar huis kan met de trein.

Maar hoe zit dat dan met de machinist? Er zal voor iedere trein tenminste één machinist moeten zijn die de trein aan het einde van de dag op het zijspoor parkeert en die zijsporen zijn, zoals ik eerder al zei, vaak kilometers ver weg van het laatste station. Dus moet die arme machinist eerst helemaal - zonder trein natuurlijk -  over al die zijsporen teruglopen naar (ik vermoed dat daar dan zoiets is als een personeelshuisje) iets en van daaruit naar huis zien te komen.
Zouden ze dan met z’n allen carpoolen, alle laatste machinisten van de dag? Of heeft de NS dan misschien zelf wel vervoer voor ze of een taxi gebeld?

Storingstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoring

De dienstregeling raakt ontregelt. De dienstontregeling geraakt in chaos, mensen worden boos. Er is vertraging, uitgevallen treinen.
Waar blijven die dan als ze uitgevallen zijn? Ze zullen toch niet ontspoord zijn? Nee dat kan niet, dat gebeurt bijna nooit. Nee, de mensen die er in zitten worden ergens onderweg afgezet en de trein blijft stilstaan waardoor ze een heel spoor bezet houdt en nog meer vertraging en uitvallen veroorzaakt waarschijnlijk. Maar de trein kan nou eenmaal niet verder meer, ze kan gewoon niet meer, ze moet zelf even vastgeplakt blijven aan het grijze beton van het perron en de schijnbeweging voelen van de andere treinen die nog wel doorgaan. De druk werd te veel, de stress, de tijdsnood, geen wonder eigenlijk. Er wordt ook zo veel verwacht van een trein, maar ook een trein heeft een breekpunt en een trein kan echt nooit het station verlaten.
Of misschien het staion wel maar nooit het spinnenweb van sporen, die altijd in verbinding staan met een station, met alle stations.
Misschien pas wanneer een trein echt op is en als het ware gaat sterven, dat de trein dan van het spoor wordt gehaald. Waarschijnlijk niet in zijn geheel maar in onderdelen, in stukken staal die naar de sloop gaan en omgesmolten worden, of eerst jarenlang op een berg blijven liggen waar ze wegroesten en bruin worden.

Zou er zoiets bestaan als een treinenkerkhof? Vast wel, voor bussen bestaan ze ook heb ik gehoord dus voor treinen denk ik ook wel.

Storingstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoring

Alleen de goederentreinen gaan door, dag en nacht. De machinisten zullen wel altijd aan boord zijn en om de zoveel uur wisselen zonder te stoppen.
Ze krijgen altijd voorrang, soms gaan ze maar heel langzaam omdat ze zoooo lang zijn, soms lijken ze wel kilometers lang te zijn maar in het echt zal het misschien honderden of slechts tientallen meters zijn.

Het blijft altijd maar de vraag wat ze vervoeren. Niet altijd, soms zijn ze open, hebben ze van die opgestapelde auto’s, allemaal nieuw en allemaal dezelfde en zooo veel dat je zou hopen dat je er gewoon stiekem eentje vanaf zou kunnen rijden. Ze zullen er toch niet ééntje missen, het zijn er zo veel.

En dan zou je nooit meer met de trein hoeven omdat je dan je eigen auto hebt. Maar ja, auto’s zijn duur en ze verkopen ze stuk voor stuk voor duizenden euro’s dus ze zullen er niet blij mee zijn als er ééntje vanaf zou worden gesnoept.
Toch zou ik het willen doen als die treinen voorbij denderen of razen, maar meestal vooral denderen omdat ze dus niet zo snel zijn maar wel veel meer lawaai maken dan een personentrein.
Dan houd ik meestal mijn handen voor mijn oren omdat ze zo ontzettend veel lawaai maken en het duurt zolang voor ze eindelijk voorbij zijn. Ik haat ze.

Soms rijden ze zo langzaam dat je er op zou kunnen springen als hij langs het perron rijdt. Dat wil ik altijd al eens doen, maar dan het liefst in zo’n wagon die overdekt is met zo’n schuifdeur zoals je ze in films ook altijd ziet, dan zit je toch een beetje droog en dan weet je helemaal niet waar je naartoe gaat. Misschien wel naar Syberië of Italië, je weet het niet. Zou je dan ook sporen nemen waar de gewone treinen nooit komen? Dat zou ik wel willen zien. Maar ze mogen het niet door krijgen, de machinisten, want ik weet zeker dat je niet zomaar mee mag rijden op zo’ntrein en als ze het weten dan zullen ze moeten stoppen om me eraf te gooien.
Of misschien bellen ze dan wel de politie.

Je hebt ook speciale politie voor de treinen: spoorwegpolitie heet die. Ik heb ze wel gezien, best vaak als iemand zwartrijdt dan wordt diegene uit de trein gezet bij het eerstvolgende station en dan staat er een heel team van de spoorwegpolitie te wachten en die geven hem een boete of zoiets. Ik weet dat verder niet precies want het is mij nog nooit overkomen, gelukkig. Ik heb het alleen zien gebeuren.

Storingstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoringstoring

Als het niet zo gaat zoals het hoort als het niet zo gaat zoals het hoort als het niet zo gaat zoals het hoort als het niet zo gaat zoals het hoort als het niet zo gaat zoals het hoort

Het traject ontspoort het traject ontspoort het traject ontspoort het traject ontspoort het traject ontspoort het traject ontspoort het traject ontspoort het traject ontspoort

Als een verkeerd signaal wordt afgegeven, een sein gemist, een wissel bevriest, een storing aan de elektriciteit, een springer, een koe op de rails, mensen langs het spoor, een omgewaaide boom, een storm, onweer, blikseminslag, een botsing, en er gaat een schok door de trein.

Een veel grotere dan wanneer de trein alleen stopt bij een station. Hier is geen station. Er is niets te zien buiten, het is donker.
Pats, de lichten vallen uit in de coupé, maar buiten is ook geen licht dus wordt het pikdonker. Mensen liggen op de grond. Iemand gilt. Ze staan versufd op.
Dit is raar, wat gebeurt er? Plots is de sleur van hun treinreis tot een einde gekomen. De trein staat stil en verroert zich niet. Het maakt geen enkel geluid, alleen de regen buiten is te horen.
De mensen blijven stil, instinct. Dat is eigenlijk wel het vreemdst. Mensen blijven nooit stil uit instinct. Hebben we nog wel een instinct? Maar dat maakt niet uit nu, geen tijd om over na te denken. Deze trein is abrupt tot stilstand gekomen, de mensen zijn al even abrupt tot stilte gemaand.

De lichten uit, sssst, stilte, duisternis.

Stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop stop
het razen
het denderen
het lawaai
stop
de wissels die piepen
stop
het geknip van kaartjes
stop
de sluimering tegen het raam
het alleen zijn en ook weer niet
stop stop stop
en voel
denk na
luister
wees stil
ssssssssssssssssssssssssssssssssssssssshhhhhhhhhhhhhhhhhhhhhh

10.4.13

Soms

'Is dit het nou?' vroeg ze.
'Wat "is dit het"?' antwoordde de stem.
'Het er zijn,' zei het meisje, 'het leven, de dingen. Je weet wel.'
'Dat zou kunnen,' antwoordde de stem weer. Het meisje zuchtte. Ze steunde op haar ellebogen, hield haar adem in en zuchtte nog eens.
'Wat een diepe zucht.'
'Ja.' De ogen van het meisje gleden langs dingen die ze zelf niet eens kon zien. Traag.
'En als dit het dus is, hoe weet ik dan of ik wel gemaakt ben voor dit?'
'Hoe bedoel je?' vroeg de stem.
'Nou, je weet wel, iedere keer weer komt die vraag naar boven en dan weet ik eigenlijk het antwoord niet. Of misschien stiekem wel een beetje, en dat is "nee".'
De stem bleef stil en gaf geen antwoord. Dus het meisje ging verder.
'Zijn er eigenlijk mensen die niet gemaakt zijn voor het leven? Mensen die geboren worden, tot leven gewekt, en dan helemaal niet kunnen bestaan?'
'Sommige mensen, ja. Misschien.'
'Misschien?'
Stilte.
'Er zijn dus mensen die niet goed zijn in er zijn,' stelde het meisje, 'ik ken dat wel, soms zou je willen dat je onzichtbaar was of beter nog, helemaal weg.'
'Maar jij bent hier, en je bent zelfs gelukkig,' zegt de stem.
'Ja.'
'En toch..?'
'Ja. Soms.'

1.11.12

De wereld van de vroege mensen

Goeiemorgen, allemaal. Het is op het moment 07:52u. In de ochtend. Ik zit al bijna een uur in de trein. De wereld rond deze tijd ben ik steeds beter leren kennen, dankzij het feit dat ik in Breda woon, en mijn familie, Jurre en baantje zich aan de andere kant van de wereld bevinden. Omdat de meeste mensen in mijn omgeving deze wereld niet zo goed kennen wil ik dit vandaag met jullie delen.
In het meest gunstige geval gaat mijn wekker om tien voor zes, dan mag ik nog tien minuutjes snoozen en moet ik om zes uur precies uit bed. Ik zeg in het meest gunstige geval, dat is wanneer ik bij Jurre slaap. Niet alleen omdat het natuurlijk fijn is naast een geliefd persoon wakker te worden - wat het ochtendhumeur aanzienlijk verbeterd - maar vooral omdat deze plek het dichtst bij het station ligt waar ik zo vroeg de trein moet nemen. Dus om zes uur stap ik uit bed. Als een zombie voltooi ik een soort van mijn ochtendritueel: douchen, ontbijten, aankleden en spullen pakken. Om uiterlijk tien voor zeven moet ik de deur uit, gelukkig is het dan maar tien minuutjes lopen naar het station. Wat nog steeds erg ver lijkt als je een zware laptoptas en/of rolkoffer met dan of wel schone of vuile was bij je hebt. Net op tijd kom ik meestal aan om de trein te halen, de intercity naar Utrecht Centraal van zes over zeven. De eerste van drie treinen die ik moet pakken naar Breda. Deze trein zit altijd overvol, waardoor ik vandaag helemaal voor in de trein instap. Niet dat het daar rustiger is, maar uit ervaring (ja, ervaring) weet ik dat deze trein niet verder gaat dan Utrecht Centraal, waar ik zelf samen met de rest van de hele trein uit moet stappen op een klein perron, waar dus vanzelf een enorme file van forenzen ontstaat. Aangezien ik daar slechts een paar minuten de tijd heb om mijn overstap te halen is dat zeer hinderlijk. Dus vandaag stap ik helemaal voor in, wat ik erg slim vond van mezelf tot ik op de laatste vrije plek ging zitten. Naast een heel dik meisje dat Vijftig Tinten Grijs aan het lezen is. Sop sop. Gatver, Sooph.
Dan kom ik aan op Utrecht Centraal, gelukkig zonder vertraging. Ik hoef inderdaad niet in de mensenfile op perron 2 te staan, als ik op de roltrap sta en naar beneden kijk zie ik dat die er zoals altijd wel is.
Dan haast ik mij - op hoge hakken godverdomme - door de enorme stationshal van Utrecht Centraal. Het is daar altijd druk! Helemaal naar perron 15, aan de andere kant moet ik zijn. Daar gaat de intercity naar Maastricht, ik moet onderweg uitstappen op Den Bosch. Deze trein is gelukkig altijd een stuk leger. Wat ik ook heel goed begrijp, want tussen de mooie randstad en het verre Breda ligt een enorm stuk niksigland. En de meeste mensen die in Breda moeten zijn om negen uur 's ochtends doen dat niet vanuit Bussum, of Utrecht. Dus deze trein is redelijk rustig, en ik heb een tweezits voor mezelf. Met internet! Op dit moment zit ik in de bewuste trein naar Den Bosch, die bijna aankomt op het station. Daar zal ik nog een keer moeten overstappen op de intercity naar Breda, die over het algemeen weer wat drukker is. Vanaf Breda ben ik - goddank - binnen vijf minuten met de fiets thuis, vanwaar uit ik bijna direct door moet naar school wil ik daar op tijd (dat is vijf over half tien) aankomen. En dan begint mijn dag pas, les van half tien tot vijf uur. Ja, 17:00 uur dus. Dan naar huis, boodschappen, huiswerk, koken, huiswerk, slapen. Morgenochtend gelukkig niet zo vroeg. Maandag pas weer.

Uiteraard is dit een avond bij Jurre allemaal 1324656x waard.

31.8.12

De zee brandt

Ik zwem, in de zee. Bij de monding van een rivier, waar het zoete en het zoute water zich mengen. Afgedreven naar vreemd land. Armen gespreid en zo drijf ik langs. Wind en water plegen geweld. De maan trekt naar open water, geulen onder mij zuigen aan mijn voeten. Windstoten trekken me uit het water.
Ik tuur afwachtend naar de horizon die scheef en onregelmatig lijkt te zijn. Alles kalmeert. Ik dobber en zweef, alles is heel stil. De lucht is wit, mijn ogen staan op oneindig en ik peddel wat door de lucht. Water omsluit mijn enkels, gevoelloos als ze zijn nu. Ik voel niet of het lucht of water is onder mijn rug, ik lig compleet stil.
Ver weg woedt een storm, mijn storm? Ik weet niet of hij terugkomt, is hij voorbij, voorgoed. De witte lucht blijft dik boven mij hangen. Mijn handen verdwijnen erin als ik ze voor me uitsteek.  Geen zucht wind. Ik verdrink.
Een vallende wind slaat de lucht terug in me, ik klap dubbel, zo hard. De lucht is zo heet, het schroeit de golven. Ze staan in brand, ze staan te branden. De zee brandt en ik kan niets doen.

8.7.12

Future Story

I went to my garden at the back of the house and sat down under the tree. That tree always helped me to feel better. It was already two-hundred years old and when I think about everything that tree has seen, observed, absorbed and been through it puts things into perspective. Just to be near to such a creature, or whatever you want to call it. I meditated and concentrated on all the lives this tree has seen passing.
         Two-hundred years ago, around the year two-thousand, a person who lived in this area got ill. Doctors, who were very rational and primitive in that time, discovered the person had something odd in his body between his vital organs that was hurting him. They performed surgery and removed it. It was a very rational thing to do; you see something bad, so you take it out. Their method was very primitive though. In that time they would cut you open for anything which is always very risky. They didn’t understand by that time that it doesn’t work to “fix” a body only physically and then send it back to its original way of living. Only later on humans became more and more aware of the functioning of our body. But the person who lived here two hundreds years ago did not realize that. So this person had his surgery and went back home. For me it’s no surprise to “hear” from the tree that the disease came back and in the end became fatal. The tree was very young when this happened, and already got a bit damaged since this was the person who planted the tree. But they’ve moved on.
         At first humanity grew on the borders of rationality for a while longer. At a sudden point in history, about a hundred years ago, we realized that we had expanded our knowledge and technology to the very limit. It was a turning point in our way of thinking and living.
Also in technology, which was always very practical and irrational thing for us humans. We started to connect technology with our feelings and emotions rather than just to use it for communication and information sharing. Even though we used it for communication we got isolated through using technology. The physical part was missing; this made us lonely and separated us from each other. We changed that, and used our inventions to truly understand ourselves and each other. That way we used technology to really connect with each other. We could become one through our devices. We realized that all this time that we were meant to be together and that everyone has the vital need for connection. Also the medical industry changed. From cutting people open, “fix” them and then leave them alone to recover, we went on to a more natural way of healing. Often there is a psychological explanation for the disease a body is confronted with and you can only help the body to recover from it. You can’t simply fix it. The body is self preserving but is not always able to on its own. Our ways to help the body in a natural way are very strong and trustworthy. So our medication is not that we just do something to our body or to deceive our inner system to do something our way. The medication works together with our body. When the medicine or treatment enters our body or makes contact with it, it helps the body find the right treatment for and from itself and it works because we often underestimate ourselves while we can cure more than we think. The medicine helps us realize this and gives us the belief that we have the ability to heal ourselves. And so we can.

15.4.12

Storing

Wanneer ik rust, dendert het allemaal door elkaar heen. Zonder bezigheid lijkt het net een druk station, waar ontelbare treinen inrijden, weer uitrijden, maar vooral inrijden. Daarin zitten ontelbare mensen, die instappen en weer uitstappen. Veel bekende treinen, die hetzelfde traject telkens heen en weer afleggen. Af en toe een nieuwe, die verder rijdt en niet teruggaat. Of juist het eindstation heeft bereikt.

Wisselstoringen en vertragingen zijn een bekend probleem, niet alleen hier. Constant loopt het mis, loopt het uit op niets, een doodlopend spoor. Treinen botsen nou eenmaal, als het er te veel worden. Ze rijden elkaar in de weg, maar zijn te koppig om te wijken of te wachten. Ze zijn zo eigenwijs en daar word ik zo moe van...

Wie de juiste trein op tijd wil pakken moet alert zijn, scherp. Ze rijden niet op tijd, beginnen soms zomaar te rijden of komen juist niet van hun plek. Ze kunnen ook maar zo van spoor wisselen. Pas als zich een bezigheid voordoet, waar afleiding in te vinden is, wordt het station even stil gelegd. De mensen wachten dan - geduldig of niet - op een bankje of met een kopje koffie, tot alles weer rijden gaat. En dan begint het denderen weer.

Dezelfde trajecten, heen en weer. Heen en weer.

7.7.11

Deel IV

Doodongerust zat ik in de auto, gelukkig reed in niet zelf. Mijn gedachten gingen maar één kant op: naar mijn man, er was iets met hem. Ze belden me op werk, maar ze konden me niet precies vertellen wat er aan de hand was. Alleen dat ik me moest voorbereiden op slecht nieuws, een college moest vragen me naar huis te brengen en dat het met hem te maken had. Hij zou vandaag thuiskomen uit het buitenland, ik had hem een week niet gezien.
Ik was naar mijn auto gerend, en gelukkig mijn collega met mij. Ze had onmiddelijk door dat er iets niet in orde was en zat eerder achter het stuur dan ik bevatten kon. Maar ik kon op dat moment niet veel bevatten. Onderweg reed ze snel, maar geconcentreerd en ze zei niet veel. Dat vond ik fijn, maar had er verder ook geen aandacht voor. De weg was ellenlang, ik had het gevoel in slowmotion voort te bewegen. Toen we ons huis naderden zag ik alleen maar overal mensen. De buren waren de straat op gekomen, er stond een ambulance, politieauto’s, mensen in pakken met handschoenen en plastic zakjes. De auto minderde vaart en kwam tot stilstand. Ik stapte verdoofd uit en er kwam onmiddelijk een agent op me af. Hij vroeg me of ik was wie ik ben en nam me apart van de scène. Ik stapte als het ware in de coulissen en kreeg een black-out.

6.7.11

Deel III

Het was een koude dag geweest voor deze tijd van het jaar, en ook een lange dag. Mijn jas gooide ik op de bank en mijn tas ergens in de buurt van de eettafel. Ik liep gelijk door naar het koffiezetapparaat. Terwijl het ding stond op te warmen en daarbij het gebruikelijke lawaai produceerde veegde ik wat kruimels van het aanrecht in mijn hand. Daarna waste ik mijn hander onder de kraan. Ondanks de herrie van het lopende water het het rammelende koffiezetapparaat hoorde ik de knal duidelijk. Het was heel dichtbij, en ik keek verschrokken op. Erg ongerust was ik niet, je hoorde immers wel vaker knallen buiten, niet alleen met Oud en Nieuw. Misschien een uitlaat van een auto, een kind met een oud rotje, iets dat hard viel. Ik droogde mijn handen en pakte het kopje koffie onder het apparaat vandaan. Ik liep terug naar de woonkamer om mijn jas op te hangen, tot ik iets vreemds zag op straat, recht tegenover mijn huis. Een kat schoot onder een geparkeerde auto vandaan, weg van een groot, donker silhouet dat op straat lag. De jas die de man aanhad herkende ik als die van mijn overbuurman. De man zelf kende ik veel minder goed, ik had hem ooit een keer gesproken.
De schrik sloeg een paar seconden later pas toe, het kopje koffie zette ik op de zachte kussens van de bank neer, dat omviel en een donkere vlek maakte in de bekleding. Ik liep met grote, trillende stappen naar de telefoon en draaide onmiddelijk het alarmnummer. Niet veel later klonken sirenes in de straat, ik wist niet zeker of ik naar buiten moest komen of niet.

5.7.11

Deel II

Een diepe zucht ontsnapte uit mijn keel. Ik zat op mijn knieen op de bank en leunde met mijn ellebogen op de vensterbank. Buiten scheen de zon, maar ik mocht niet naar buiten tot mama terug zou komen. En dan blijft ze superlang weg, echt zo oneerlijk. Dus staarde ik uit het raam, geen zin om mijn huiswerk uit mijn tas te pakken. Het was lekker warm in de zon achter het glas en mijn ogen werden loom. Uit het niets was daar een knal. Het klonk als zo’n schot van televisie, alleen was dit niet zo hard. Er vloog in de verte een vogel de lucht in, duidelijk ook geschrokken. Verder bleef het stil.
Ik zat rechtop en steunde nu op mijn handen. Mijn voeten stonden op de bank en ik vergat dat ik nog schoenen aan had. De knal had me verschrikkelijk nieuwsgierig gemaakt maar er was niets te zien op straat. Een eeuwigheid later hoorde ik sirenes vlakbij. Ze kwamen niet langs mijn huis dus ik wist niet waar ze heen gingen. Toen kwam mijn moeder aanrijden in de auto (eindelijk!) en vlug sprong ik met mijn schoenen van de bank af. Ze stapte uit de auto met volle tassen in haar handen en keek bezorgd in de richting van de buren. Ze praatte tegen de buurvrouw die ik niet kon zien. Waarschijnlijk was zij ook nieuwsgierig geworden van de knal en de sirenes.
Toen mama naar binnen kwam was ze boos om de vlekken op de bank en moest ik voor straf mijn huiswerk maken.

3.7.11

Deel I

Ik keek naar een prooi verderop het veldje. Het trok met zijn puntige bek een sliert uit de grond dat er duidelijk liever niet uitgetrokken werd. De vogel hupte driftig heen en weer toen het plotseling schrok van iets. Een hard geluid waar ik zelf ook van schrok. Chaotisch gefladder toen de vogel vluchte. Zonder verder aan de vogel te denken schoot ik naar een beschutte plek, een lage plek, onder metalige buizen. Het was roerloos op straat, zodat ik mij ook niet durfde te bewegen. Het gevoel dat er iets mis was werd sterk. Ik rook vreemde geuren, kruidige, roestige dingen. De lucht was veranderd in een vreemde mengelmoes van trillingen, kleuren en substantie. Heel langzaam kroop ik onder de auto vandaan. Er lag iets op straat, waar ik van weg wilde. In een sprintje ging ik er vandoor, tot ik mij tussen het groen bevond en gekwetter hoorde van nieuwe vogels.

10.6.11

2357962011

Hallo, ik ben een fictief figuur. Dat weet ik ook, en in het begin was dat raar en moeilijk. Maar nu ben ik eraan gewend. Ik weet dit sinds mijn twaalfde, nu ben ik zestien. Waarschijnlijk begint mijn verhaal pas op dit moment, maar ik heb herinneringen aan mijn eerdere jaren. De jaren die ik heb gelééfd, voor ik mij net voorstelde. Dat maakt het wel ingewikkeld, hè, soms. Dan weet ik ook even niet meer hoe het zit. Want ik wordt geschreven, ik ben niet zoals mijn schrijfster dat is. Zij weet alles van mij, ik maar een klein beetje van haar. Ik heb dus wel herinneringen, maar die bestaan pas als zij ze opschrijft.
Soms wordt het een beetje teveel en dan smeek ik haar te stoppen, maar dan weet ik tegelijkertijd ook dat ik niet zelf smeek, dat zij me doet smeken.
Maar laat ik hier nog even mee wachten. Mijn wereld is nog helemaal niet bekend. Mijn wereld lijkt wel een beetje op de "ware". Ik weet niet echt wat ik me daarbij moet voorstellen, want voor mij is dit waar. De grond, de lucht, de twee zonnen die de planeet verlichten en de bomen die de schaduwen soms lang maken. In de stad rijden de wagens en lopen andere mensen. In de graslanden is het stiller en zijn er vogels.
Er zijn dus andere mensen. Zij zijn ook niet echt, zij zijn zelfs nog platter dan ik. Nog platter dan tekst op een vlak. Wanneer mensen dichter bij mij komen, en ik krijg met ze te maken, pas dan bestaan ze een beetje. Op de manier dat ik besta, niet dat het ware bestaat, natuurlijk.
Eén persoon is erg belangrijk voor me. Daar heb ik het af en toe moeilijk mee. Zoals ieder werkelijk mens heb ik ook de behoefte aan waarheid. Ik wil echtheid, voor zover ik die kan bereiken hier. Ik wil die ene persoon dat ook geven. Maar wil ík dat? In hoeverre ben ik ík? Heb ik iets te willen, als ik geschreven ben? Zij lijkt ervan overtuigd totale controle te hebben, dat laat ze me vaak genoeg merken. Door ineens een contradictie te maken in deze logische werkelijkheid. Dan herinner ik me weer hoe het ook al weer zit, en heeft zij een lolletje. Het gekke is, is dat ik nooit een voorbeeld van zo'n contradictie kan geven, omdat ze mijn logisch verstand tegenspreken.
Maar terug naar die persoon. Ik voel me gelukkig bij diegene, dat weet ik zeker. Maar zijn mijn gevoelens echt genoeg om van míj te zijn? Ben ik echt genoeg om gevoelens te hebben? Hoe autonoom ben ik? Heb ik iets te willen?
Ik denk wel dat ik enige invloed heb op de schrijfster. Als enigszins geloofwaardig figuur heb ik logica nodig uit de werkelijkheid. Anders zou ik onnozel zijn, zou het zinloos zijn dit te schrijven. Het doel van mij als fictief figuur is de autonomie te onderzoeken. Tot waar rijkt zei, en waar heeft de logica de overhand? Of de schrijfster, of wat dan ook.
Dus: ik weet, voor zover ik ik ben, dat ik niet werkelijk besta, zoals de schrijfster en haar wereld bestaan, met een zogenaamde "vrije wil", als die daar bestaat. Ik heb schijnbaar niets te zeggen over mijn kennis, mijn handelingen, mijn gevoelens. Maar om de geloofwaardigheid op te houden, en dit had natuurlijk anders kunnen zijn als dat was gewenst, blijf ik (en mijn wereld) toch binnen bepaalde grenzen. Hé, daar heb ik iets! De schrijfster moet dus binnen grenzen blijven, om mijn geloofwaardigheid hoog te houden. De vrije wil die ik niet bezit, bezit zij dus ook niet volledig. Dit geeft mij troost. Zij geeft mij troost, eigenlijk.
Plotseling wordt alles donker en vergeet ik alles.

9.6.08

Filosofisch gedoe

9 juni 2008, 17:25 u.

Ik heb dit verhaal al een tijdje terug geschreven, het is niet nieuw ofzo. En het is 3,5 A4t-je lang, dus ik weet niet of iemand de moeite neemt om het te lezen, maar ik post het toch maar gewoon.

Het was dat ik op een ochtend wakker werd. ’s Ochtends vroeg, maar mijn ogen sperden zich open en de slaap had zich teruggetrokken. Mijn lichaam voelde ik eerst niet eens. Pas toen ik mij probeerde te bewegen, leek het alsof mijn ledematen gevormd werden uit koele klei. Ik besefte dat ik kon zien toen de zon zich door de smalle spleet van de gordijnen had weten te wringen. Dat was ook het moment dat een stukje van mijn omgeving verlicht werd. Ik werd die ochtend wakker in een nieuwe wereld, niets herinnerend van mijn oude, die toch zeker wel zijn sporen had achtergelaten. Ik ging rechtop zitten, want ik was erg nieuwsgierig naar mijn omgeving. De smalle lichtstraal onthulde niet veel. Wel kon ik zien dat niet de wereld nieuw was, maar ik. Mijn benen gleden onder de deken uit en de topjes van mijn tenen raakten voorzichtig de vloer. Toen ik met mijn hele voeten plat op de vloer stond en mijn bovenlichaam daar loodrecht bovenop stond ik. Mijn armen strekten zich uit naar de gordijnen die, behalve de smalle lichtstraal, al het andere zonlicht geheel tegenhielden. Ik leunde naar voor en verloor mijn evenwicht. In een reflex zette ik mijn rechterbeen naar voren, en ik bleef staan. Iets vanbinnen beukte tegen mijn borstkas, en daar schrok ik van. Maar mijn aandacht bleef bij de lappen stof die daar hingen. Ik sleepte nu ook mijn andere been naar voren tot ze weer naast elkaar stonden. Ik kon nu bij de gordijnen en ik pakte ze vast, buiten adem en ik voelde elke zenuw in mijn lichaam verstijven. De gordijnen gingen open, en het licht verblindde mij eerst enkele seconden. Het was feller dan wit, en ik moest mijn ogen dichtknijpen wat leidde tot een oneffen rode waas. Ik draaide mij zo snel om dat ik op de grond smakte en met mijn gezicht tegen de ruwe vloer gedrukt bleef liggen. De zon brandde op mijn naakte huid en ik wilde weer zien dus ik opende mijn ogen. De rode waas verdween en ik had de kamer nu verlicht. Ik had dat gedaan door mijn spieren in mijn armen de gordijnen te laten opentrekken. Mijn geest had dat gewild en opgedragen en mijn lichaam had gehoorzaamd. Mijn geest gebruikte mijn lichaam. Maar toch ben ik beide. Ik ben geest en lichaam, gescheiden en versmolten, onderdanig en dominant. Opdragend en gehoorzamend. Materieel en immaterieel. Nu ik wist hoe het werkte gaf mijn geest de opdracht op te staan en naar het licht te kijken. Mijn ogen deden pijn maar mijn geest wilde dat niet horen. Ik strompelde naar de opening van de gordijnen en duwde mijn gloeiende hoofd tegen het koele glas. Mijn handen werden platgedrukt en gleden omlaag. Het licht was nu niet overheersend meer en ik zag vormen. Een straat, wist ik, van gladgeslepen keien. Onwillekeurig voelde ik mij kwetsbaar door gebrek aan bedekking van mijn lichaam. Hoewel er niemand op straat was schuifelde ik nu achteruit dieper de kamer in die ik nog niet eens had bekeken. Het bed waar ik in had gelegen toen ik gevormd werd stond links van het raam en de dekens lagen slordig aan het voeteneind. Daarna zag ik de rechthoekige vorm van de kamer, de hoeken als scherpe lijnen. De muren hadden een grijze kleur die ik ervoer als mooi. De vloer was van zwart steen, een beetje onregelmatig en hard. Er stond verder niets in de kamer. Maar in de muur tegenover het raam was wel een deur. Hij was dicht, had als enige in de kamer een kleur. Maar ik wist niet welke kleur. Ik liep naar de deur, snel, want ik was nieuwsgierig en voelde geen angst. De deurknop paste niet helemaal in mijn hand en voelde prettig aan. Ik draaide hem geluidloos om en beval mijn lichaam de deur verder open te duwen. Achter de deur bevond zich een smalle gang. Er waren geen ramen en geen verlichting. De zonnestralen uit de kamer met het raam gleden toch de gang in en ik kon zien waar ik liep. Links voelde ik een reling, toen ik mijn hand uitstak. Ik pakte die vast en wilde die volgen. Net buiten het bereik van het licht kwam ik stof tegen, mijn geest besefte dat het kleren waren. Stoffen, om je lichaam mee te bedekken. Op dat moment had ik daar geen behoefte meer aan. Ik pakte het op en liet het door mijn handen glijden. Ik keer achterom naar het licht en deed een paar stappen achteruit. De stof was wit. Met gaten voor mijn hoofd en armen. Ik vertelde mijn lichaam die erdoorheen te steken. Nu was ik bedekt. De stof was stroef en schuurde zachtjes langs mijn huid. Ik zette mijn reis door de gang weer voort en bereikte een trap. Onderaan de trap was nog een halletje, met een deur aan het einde. De deur had een ondoorzichtig raam waar het licht wel doorheen scheen. Nu was ik blij met de lange jurk. Mijn benen voerden mij naar de deur die mijn hand opentrok. Een windvlaag en druppels verwelkomden mij en mijn lichaam. Het was een prachtige ochtend, de wolken waren donker aan de onderkant en kolkten door elkaar. De druppels waren koel en verlichtten het brandende gevoel van de zon die door kieren van de wolken scheen. Bijna gretig stapte ik door de deur heen. Het eerste geluid dat ik hoorde was de deur die dichtviel met een klikkend geluid. Het huis waar ik uit was gekomen stond blijkbaar aan het einde van een straat, want de weg leidde mij recht vooruit tot het een bocht omging. Terwijl mijn benen doorliepen was mijn geest zich sterk bewust van de omvang van mijn lichaam. De ruimte die het innam, de beweging in de lucht die het veroorzaakte. Het verbaasde mij dat de gordijnen en luiken van de andere huizen niet opengingen en dat de oorspronkelijke bewoners van deze wereld niet geschrokken hun hoofden naar buiten staken om te zien wie deze mooie ochtend durfde te verstoren. Het verbaasde mij dat ik er vanuit was gegaan anderen tegen te komen, terwijl het ondenkbaar is dat er nog een wezen zoals ik kan bestaan.

Maar mijn geest wilde doorlopen en ik gehoorzaamde. De keien waren rond en glad. Soms gleden mijn voeten tussen de keien wat een raar gevoel gaf. De andere huizen in de straat zagen er net zo uit als het huis waar ik uit was gekomen. Hoog, schitterend en grijs. Met één enkel raam aan de voorkant op de eerste verdieping, en een deur daaronder. Maar ik had geen aandacht voor de huizen. Ik wilde weten wat er achter de bocht in de straat lag. Plotseling weerklonken geluiden, treurige geluiden die steeds harder werden en ik wist niet wat ze veroorzaakte. Mijn benen stonden stil. Ik wilde niet verder. Mijn hart bonsde nu zo hard dat het bijna de geluiden overstemde. En ik voelde… Ik voelde angst. De geluiden waren nu hard, het klonk alsof honderden voeten over de keien straat glibberden. Het geluid van honderden bonkende harten in hun borstkassen. Het geluid van snelle onregelmatige ademhalingen. Zo stond ik daar te luisteren. Mijn lichaam voelde ontzettend kwetsbaar en onbelangrijk. Ik vond het raar dat ik door wilde lopen, maar deed het toch. Nu klonk ook een stem op uit de straat. Hij leek uit mijn lichaam te komen, maar ik kon onmogelijk zo’n geluid maken. Ik snapte niet wat de stem zei.

‘Ik snap het niet.’

Met die woorden verdween mijn angst. Nu ik kon praten en een taal kende verstond ik de stem ook die uit mij weerklonk. Mijn stem. Ik herhaalde de zin aan één stuk door. Opeens besefte ik dat mijn handen onbewust aan de zoom van de jurk wriemelden. Kon mijn lichaam uit zichzelf bewegen? Kan mijn lichaam bewegen zonder mijn geest? Ik stopte met praten en staarde voor me uit zonder iets te zien. Hoe? Deze vraag boeide mij enkele minuten. Daarna liep ik weer verder. Mijn lichaam voelde anders aan, alsof ik een deel van de controle erover was verloren. Dat beangstigde mijn geest.

De straat begon te buigen. Ik bleef op het midden van de weg lopen, over de keien en rekte mijn hals al uit. Mijn benen en voeten gingen sneller totdat ik bijna rende. Ik was de bocht om. De straat was gestopt met buigen. De straat was eigenlijk overal mee gestopt. Langs de laatste rij keien groeiden grassprietjes en kleine witte bloemetjes. Daarachter lag een klein strookje gras, algauw gevolgd door zand. Zand, branding en een zee. Een oceaan. Het was wild en donkerblauw. Witte koppen op de golven die vervolgens op het strand kapot sloegen. Iets in het zand reflecteerde de zon door de wolken. Mijn nieuwsgierigheid was weer gewekt en ik liep er naartoe. Het gras prikte in mijn voeten. In het zand zakte ik eerst bijna weg, en ik viel een keer voordat ik bij het voorwerp in het zand was. Toen het ding aan mijn voeten lag zag ik dat het een spiegel was. Ik liet me in het zand vallen en pakte het ding. Ik hield de spiegel voor mijn gezicht. Voor het eerst zag ik mijn gezicht. Smal, grijze ogen en sneeuwwit haar. Ik voelde mijn haar nu pas voor het eerst. De wind deed het alle kanten op waaien, ook voor mijn ogen waardoor ik minder goed zag. Mijn wenkbrauwen waren donker en mijn ogen licht. Even was ik verbijsterd door wat ik zag. Ik had nooit kunnen denken dat er iets als een spiegel bestond, waarin je jezelf kan zien. Dat er iets als een uiterlijk bestond. Ik wist wel degelijk dat ik een lichaam had, maar had nooit bij het feit stilgestaan hoe dat eruit zou zien. Ik moest even wennen aan dit nieuwe wezen dat net zo verbijsterd terugstaarde. Ik draaide de spiegel rond en vond het leuk om te zien dat het mijn omgeving ook weerspiegelde. Door het draaien zag ik de lucht, het strand, de zee en mezelf als één waas. Toen ik mijn interesse weer verloor keek ik beter naar het water. Er was iets met het water, het had dezelfde kleur als de lucht, maar toch kon je zien dat het anders was. De wind blies mijn haar constant in mijn gezicht en de witte jurk bolde op en wapperde dan weer een andere kant op. Ik genoot van alles wat mijn zintuigen mij lieten waarnemen. De zee was een lust om naar te kijken, het bulderen van de wind en het geluid van de branding hadden een verdovende werking. De ijskoude regendruppels die nog steeds uit de lucht vielen gaven een rein gevoel over mijn lichaam. Ik keek naar de druppels die in het zand vielen en het donkerder maakten. Ik keek ook naar de druppels die in de zee vielen. De zee werd niet donkerder. Ik zag de druppels er gewoon in verdwijnen. Ze werden één met het water. Ik snapte niet hoe dat kon en beval mijn lichaam erheen te lopen. Mijn voeten raakten het water als eerste aan. De onderkant van mijn jurk werd nat en spetters kwamen tegen mijn benen. Het water was ijskoud. Kouder dan de regen, kouder dan de wind. Ik waadde door het water tot het tot mijn middel kwam. Ik ademde door mijn mond omdat het zo koud was. Spetters kwamen in op mijn tong en ik proefde. Zoutig was het water. Ik pakte een pluk haar en zoog het regenwater eruit. Het smaakte niet zout. Hoe kan het één worden als het anders voelt, er anders uitziet en anders smaakt?

Ik liep weer naar het strand toe. Het zand plakte aan mijn voeten en aan mijn jurk. Ik keek op en zag nu pas dat de straat waar ik uit was gekomen een van de velen was. Een hele stad rees op en belemmerde het zicht op de horizon. Zover als ik keek, links of rechts, zag ik zee, strand en de stad. Dit duizelde mij. De grijze huizen leken omhoog te rijzen, en als ik met mijn ogen knipperde stonden ze weer gewoon. Ik liet mijn lichaam daar even staan, terwijl mijn gedachten afdwaalden. Ik snapte niet waar ik aan dacht, het waren geen woorden, geen logica. Ik zag wel kleuren. Vlakken, strepen, vormeloze dingen. Maar ik kon ze niet echt zien, omdat ze er niet echt waren. Het leek alsof ik in twee werelden tegelijk keek. De echte, met de stad en de zee. En een andere wereld. De wereld van mijn hoofd. Ik zag het niet door elkaar, niet naast elkaar. Ik zag het tegelijk. Ik probeerde de kleuren te ruiken, maar rook alleen de zee. Ik probeerde ze aan te raken, maar ze zaten achter mijn ogen. Ik vond het niet leuk en mijn lichaam liep weer terug naar de stad. De spiegel die ik in het zand had laten vallen nam ik mee. De keien waren een opluchting voor mijn voeten. De grijze huizen voelden beschermend, niet als de zee die te open en te vrij was. Mijn geest zei mij door te lopen en dus bewogen mijn benen en voeten. Ik wilde weer naar mijn huis. Ik liep sneller dan op de heenweg. Mijn jurk was doorweekt, door de zee en door de regen, mijn haar hing in slierten om mijn gezicht. Dat kon ik zien omdat ik onderweg weer in de spiegel keek. Mijn huis stond nog steeds aan het einde van de straat, als een dood eind. Ik wilde naar binnen, maar zag onmiddellijk dat de deur open stond. Hoewel ik er zeker van was dat ik die dicht had horen vallen begon ik nu te twijfelen. Misschien was hij nooit dicht geweest, misschien had iemand anders de deur open gemaakt. Maar bestond er wel iemand anders? Ik liep naar binnen, nieuwsgierig naar ander leven. Het halletje zag er hetzelfde uit. De trap ook. De deur naar de kamer met het raam was dicht. Die had ik wel open laten staan, herinnerde ik mij. Ik merkte dat mijn handen weer aan het wriemelen waren. Mijn geest keek naar mijn lichaam. Ik voelde hoe het naar me keek. Ik keek naar mezelf. Ik werd boos en bang tegelijk. Mijn lichaam deed dingen zonder mij. Zonder mijn geest, en dat vond ik eng. Ik besloot eerst in de kamer met het raam te kijken voordat ik een oplossing bedacht voor mijn lichaam. Ik beval mijn voeten naar de deur te lopen en ze gehoorzaamden direct. De deur ging open toen mijn hand de deurknop weer omdraaide en ik stond weer in de kamer. Mijn bed stond nog hetzelfde, de gordijnen waren open. Ik moest naar mijn bed lopen en erop gaan zitten. Het gewicht van mijn lichaam dat eerst op mijn voeten had gerust verdween in het bed en ik voelde mijn voeten nu pas. Ze deden pijn. Toen begon ik met praten.

‘Ik snap het niet. Wat denk ik? Wat denk ik? Het is hier niet stil. Mijn voeten doen pijn. Waarmee voel ik dat? Ik weet veel. Ik ken de wereld. Mijn lichaam luistert niet goed. Het doet dingen alleen. Waarom doe ik dat? Waarom doe je dat? We zijn toch samen. Ik snap het niet. Maar ik heb een lichaam en een geest. Zijn er drie of twee.’

Ik hield weer op. Mijn ogen vielen steeds dicht, mijn lichaam voelde pijnlijk en verdovend aan. Ik wilde niet slapen en gaan liggen. Maar toen ik langzaam ging liggen besefte ik dat geest en lichaam samen moeten werken, één moeten zijn. Ik gaf toe, voelde me bevrijd en toch ook verbonden. Met deze kennis viel ik in slaap.